|
|
Art. 1. Voor de toepassing van deze wet moeten worden verstaan onder:
Art. 2.De bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 2 moeten uitdrukkelijk worden gemotiveerd.
Art. 3. De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen.
Zij moet afdoende zijn.
Art. 4. De bij deze wet voorgeschreven motiveringsplicht is niet van toepassing indien de motivering van de handeling:
1° de uitwendige veiligheid van de Staat in het gedrang kan brengen;
2° de openbare orde kan verstoren;
3° afbreuk kan doen aan de eerbied voor het privé-leven;
4° afbreuk doen aan de bepalingen inzake de zwijgplicht.
Art. 5. Dringende noodzakelijkheid ontslaat het bestuur niet van de plicht zijn handelingen uitdrukkelijk te motiveren.
Art. 6. Deze wet is slechts van toepassing op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen dan die bepaald in de voorgaande artikelen.
Art. 7. Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de vierde maand volgend op die van haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.